De AFM trok de vergunning van een financiële onderneming in wegens structurele overtredingen en het ontbreken van een integere bedrijfsuitoefening. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat intrekking op zichzelf een geschikt middel was, maar dat de AFM onvoldoende had gemotiveerd waarom deze ingrijpende maatregel ook noodzakelijk was. Daarbij woog onder meer mee dat veel tijd was verstreken tussen de eerste signalen, het onderzoek en de uiteindelijke intrekking.
De uitspraak laat zien dat het evenredigheidsbeginsel ook bij vaststaande overtredingen een belangrijke begrenzing vormt voor handhaving door financiële toezichthouders.
Frank ’t Hart annoteerde deze uitspraak in JOR 2026/196.
Lees hier zijn annotatie.
Frank ‘t Hart
Partner
Frank ’t Hart is sinds 1992 advocaat en gespecialiseerd in financieel recht. Hij was General Counsel bij een bankverzekeraar en is daarnaast actief als docent en redacteur in het financieel recht.